De Bilterhoeve

Click here to edit subtitle

Geschiedenis

Het Fjordenpaard is één van de werelds oudste en zuiverste paardenrassen.

Er werd hoofdzakelijk gefokt in het westen van Noorwegen, zodat het ras ook bekend was onder de naam ‘Vestlandshesten’.

 

Er is weinig bekend over de oorsprong van het ras. Er zijn veel gelijkenissen tussen het wilde Przewalskipaard en de Fjord, zoals de kleur en de primitieve aftekeningen.

Ook gelijkt de Fjord nogal op de Tarpan, het Europese wilde paard dat nu in zijn natuurlijke staat uitgestorven is. De Fjordenpaarden stammen echter niet af van de wilde paarden, daar de Przewalski 66 chromosomen heeft en de Fjord en Tarpan 64.

 

Het is meest aannemelijk dat het paard naar Noorwegen kwam vanuit het oosten.

Het blijkt dat er wilde paarden aanwezig waren in het zuiden van Zweden en Denemarken sinds de laatste ijstijd. Archeologische opgravingen bewijzen dat het paard gedomesticeerd werd in het Bronzen tijdperk, circa 1200 v.C. Vikingbegraafplaatsen tonen aan dat het paard sinds zowat 2000 jaar gefokt werd door de mens en men vermoed dat het Fjordpaard een nakomeling is van de eerste paarden in Noorwegen. Door de jaren heen waren er talrijke contacten tussen Noorwegen, IJsland en de Britse Eilanden en de paarden die langs de zee overkwamen hebben vast en zeker de ontwikkeling in de fokkerij beïnvloed.

 

De Fjord zou zich blijkbaar onderscheiden hebben in grootte en type in het noorden en het zuiden van de westkust. Van het Fjordenpaard van Nordfjord en Sunnmøre was bekend groter te zijn, met grovere beenderen en met overvloediger manen, staart en kotenbehang dan de Fjord in Sunnhordland, die kleiner, lichter en fijner was.

Dit deed vermoeden dat er misschien verschillende types bestonden van het Fjordenpaard met een licht verschillende oorsprong. Een voorbeeld van het lichtere type is Rosendalsborken I 8, geboren in 1863 in Kvinnherad. Als 20-jarige werd hij voorgesteld op een keuring in Duitsland waar hij grote indruk maakte. In de hedendaagse fokkerij zijn de types van Sunnmøre en Fjordane overheersend. De belangrijkste hengst in de geschiedenis van het ras is Njål 166, geboren in 1891 in Stryn.

 

Njål was één van de hengsten in de streek van Sogn og Fjordane en stond van 1896 tot aan zijn dood in 1910 te Sunde in Stryn.

Men vindt hem terug in de afstamming van elke levende hedendaagse Fjord over de ganse wereld.

De Fjord is gemakkelijk te voederen, is sterk, taai en volgzaam met een uithoudingsvermogen om veel uren, dag na dag, in moeilijke omstandigheden te werken.

Deze eigenschappen, gekoppeld aan zijn veelzijdigheid, maakte het Fjordenpaard uiterst geschikt voor het werk op de kleine bergboerderijen aan de westkust, lang voor de mechanisatie zijn intrede deed. De Fjord werd ook gebruikt voor het transport tussen de gehuchten en de veren. In Noorwegen is de genegenheid voor het Fjordpaard heel sterk blijven bestaan, vooral bij de landbouwers van de westkust die deze goede eigenschappen op de dag van vandaag nog steeds blijven waarderen.

 

Door zijn uitstraling, vriendelijkheid en verscheidenheid wordt de Fjord ook vandaag nog sterk gewaardeerd. Het Fjordenpaard wordt door veel mensen ervaren als een nationaal symbool.

 

Bron: "Het Internationaal Handboek" van Fjord Horse International

Doel van de Fokkerij

De doelstelling houdt in: door middel van raszuiverheid en behoud van het karakter, de aanvaarde variaties en de veelzijdigheid van het Fjordenpaard, een gezond, bruikbaar paard te fokken. Verder het behouden van de origineel erkende kleuren van het ras alsook de primitieve aftekeningen, die kunnen variëren naar gelang de lichaamskleur. Aftekeningen en kleuren die afwijken van het rastype moeten vermeden worden en zijn ontoelaatbaar.

 

1.Het Fjordenpaard zal in zijn algemeen beeld krachtig gebouwd zijn, sterk, een goede verhouding en een atletisch voorkomen hebben.

2.Het paard zal een mooie uitstraling hebben en fier overkomen.

Het paard zal werkzaam zijn, afhankelijk, gewillig en kalm blijven in de meeste situaties en het zal natuurlijke, evenwichtige bewegingen hebben.

3.Het Fjordenpaard zal een veelzijdig rij- ; men- en werkpaard zijn.

4.De bouw van de Fjord zal ervoor instaan dat hij zich goed beweegt zowel in moeilijk terrein als op vlakke grond.

5.Met deze kwaliteiten zal het Fjordenpaard gemakkelijk zijn in de omgang en geschikt zijn als familiepaard alsook voor verschillende activiteiten zoals in ruiterscholen, in competitie en als vrijetijdspaard.

 

Bron: "Het Internationaal Handboek" van Fjord Horse International

De beschrijving van het Fjordenpaard

Hoogte: Er is geen boven- of ondermaat limiet, maar de beoogde maten liggen tussen 135 cm en 150 cm schofthoogte.

Kleuren en markeringen: De vijf aanvaarde kleuren zijn brunblakk (vaalbruin), ulsblakk (vaalwit), grablakk (vaalgrijs), redblakk (vaalrood) en gulblakk (vaalgeel). Het is belangrijk dat deze zogenaamde primitieve kleuren geapprecieerd en behouden blijven. Een kol wordt enkel aanvaard bij een merrie.

Andere zichtbare aftekeningen worden niet aanvaard.

 

Haar: De maantop bij volwassen paarden bedekt de helft tot tweederde van het hoofd. Overvloedige beharing op de benen is niet gewenst.

De traditie bepaalt dat de Fjord rechtopstaande manen heeft.

Het paard hoort voorgesteld te worden met manen die in een boog geknipt zijn, om de bovenlijn van de hals te benadrukken.

 

Hoofd: Het hoofd is belangrijk aangaande foktype en karakter.
Het moet goed geproportioneerd zijn, klein en welomlijnd met een breed en plat voorhoofd. De lengte van het oog tot aan de neus moet kort zijn; het profiel moet recht zijn of bij voorkeur lichtjes concaaf. De ogen zijn groot, donker en glanzend met een rustige uitdrukking. De neusgaten moeten wijd zijn en geproportioneerd zodat de neus een "vierkante" uitdrukking geeft. De wangen moeten welomlijnd zijn.
De onderkaken moeten niet te zwaar zijn, zodat ze geen grove uitdrukking geven aan het hoofd. De keelgang moet voldoende wijd zijn om een goede beweeglijkheid van het hoofd toe te laten. De oren moeten relatief kort zijn, met een verfijning naar de punt toe en met een wijde inplanting. De oren moeten parallel staan met een buitenwaartse curve vanaf de top tot in het midden van het oor. Lange, puntige en dicht bij elkaar staande oren die voortdurend in beweging zijn, zijn niet typisch voor het Fjordpaard.

 

 Vorm/structuur en ontwikkeling van de bespiering:

De harmonie in de lichaamsbouw is heel belangrijk. Variaties kunnen aanvaard worden, maar het Fjordenpaard zal steeds een goede diepte en wijdte hebben en naargelang leeftijd en geslacht goed gespierd zijn.
De hals moet hoog ingezet zijn met een gebogen toplijn. Vooral hengsten hebben meestal een sterke hals. In de periode dat de Fjord gebruikt werd voor zware werkzaamheden, werden een korte, sterke hals en een rechte schouder als een voordeel gezien. Vandaag de dag is een langere, soepeler hals gewenst, meer geschikt voor het paardrijden, het mennen en het gebruik als pakpaard.
Enige lengte in de nek met een vlakke overgang van de nek naar het hoofd is gewenst. Een lange, dunne hals is niet gewenst.

 

Schouder en Schoft: De schouder heeft een belangrijke invloed op de bewegingen van het paard, vandaar dat tegenwoordig een schuine schouder wenselijk is voor het goed voorwaarts strekken van de voorbenen. (Een steile schouder was nodig toen de Fjord gebruikt werd als werkpaard). Bij het Fjordenpaard is de schoft niet sterk uitgesproken maar maakt een vlotte overgang naar de rug. De schoft moet wel voldoende ontwikkeld zijn en een goed steunpunt vormen voor de, schouder- en rugspieren. De voorhand moet dezelfde lengte hebben als de rug en achterhand.

 

Lichaam en bovenlijn: De borstkas moet gewelfd zijn maar niet rond.

De rug en lendenen moeten vlot in elkaar overlopen en goed gespierd zijn.

De lendenen zijn heel belangrijk daar ze de verbinding vormen tussen midden- en achterhand. De overgang tussen de lendenen en het kruis zal beweeglijk zijn en vlot in elkaar overlopen. De lendenen moeten kort zijn, sterk en in goede verhouding staan met de rug en het kruis.

De achterhand: Het kruis moet lang zijn, breed, goed gespierd en aflopend.
Te sterk aflopend of te recht is niet gewenst. De staart moet noch een te hoge, noch een te lage aanzetting hebben en moet vrij en natuurlijk gedragen worden.
Het bovenbeen moet voldoende lang zijn en moet, bekeken van opzij en van achteren, goed gespierd zijn. Van achteren bekeken, moet de ontwikkeling van de spieren die het dijbeen omvatten, zo breed zijn als het bekken.

 

De benen: De onderarm en het onderbeen moeten breed zijn met goed ontwikkelde spieren. Het onderbeen moet voldoende lang zijn met sterke, goedontwikkelde spieren tot in het spronggewricht. De spier is meer ontwikkeld aan de buitenzijde en vlakker aan de binnenzijde.

De benen moeten correct gelijnd zijn. De gewrichten en pezen moeten droog zijn en goed afgetekend. Het pijpbeen moet kort, droog en hard zijn.

De voorknie moet breed, vlak en goed afgelijnd zijn.

Het spronggewricht moet breed zijn en goed ontwikkeld; in verhouding tot het paard. Van opzij bekeken, moet de punt van het spronggewricht opvallen. Een te scherpe hoek in het spronggewricht is bezwaarlijk.

De kogelgewrichten moeten sterk en mooi afgetekend zijn.

Het kootbeen moet sterk zijn, voldoende lang en rond gevormd om de nodige steun en veerkracht te kunnen geven. De hoeven van het Fjordpaard hebben een goede hoorn kwaliteit en zijn rond en breed. De binnenkant van de hoornwand kan ietwat steiler zijn dan de buitenkant. Goede, gezonde hoeven zijn heel erg belangrijk voor het paard.

 

De bewegingen zijn bijzonder belangrijk voor het Fjordenpaard. Ze moeten voldoende veerkracht en stuwkracht bieden aan de bouw van het paard om een ongedwongen stap, draf en galop te waarborgen. De bewegingen moeten krachtig en evenwichtig zijn, met een goed ritme. Het Fjordenpaard moet zich in de drie gangen vrij bewegen. De galop moet evenwichtig en vrij zijn, met soepele, elastische voorwaartse beweging. De draf moet veerkrachtig zijn. Overdreven actie is niet typisch voor het ras.

 

Geslachtskenmerken: Het Fjordpaard heeft een uitgesproken geslachtskenmerk. Een hengst moet mannelijkheid uitstralen en een merrie vrouwelijkheid.

 

Bron: "Het Internationaal Handboek" van Fjord Horse International

 

De kleuren en primitieve aftekeningen

Het Fjordenpaard heeft verschillende soorten verdunde (vale) kleuren.

Het zijn dezelfde soort kleuren als bij het wilde przewalski paard van Centraal Azië en het Europese wilde paard, de Tarpan. Ze worden ook primitieve kleuren genoemd.

De primitieve basiskleuren zijn het vaalbruin (isabel of brunblakk), het vaalrood (r0dblakk) en het grijs (grablakk). Daarbij voegen zich ook het verdunde vaalbruin (ulsblakk) en het verdunde vaalrood (gullblakk) ; dit zijn ook echte raskleuren.

Tijdens de Algemene Vergadering van het Noorse Stamboek in 1980, werden deze vijf kleuren erkend als de echte en typische kleuren van het Fjordenpaard.

Deze beslissing werd ook ondersteund door wetenschappelijke onderzoeken.

 

Kleurvariaties

 

Het vaalbruin ("brunblakk" in het Noors) is de meest voorkomende kleur.

Het komt voor in lichtere en donkere schakeringen.

De lichaamskleur is licht geelbruinachtig en kan variëren van crèmegeel tot bijna bruin. De donkerder haarstreep (UMidtstol" in het Noors) is zwart of donkerbruin in het midden van de manen, de maantop en de staart.

De zijkanten van de manen, de maantop en de staart zijn wit.

De aalstreep is donkerbruin of zichtbaar donkerder dan de lichaamskleur.

De lichtkleurige paarden hebben wittere haren in de maantop en zijkanten van de manen. Bij donkerder paarden kunnen deze haren ook donkerder zijn, bijna bruin.

 

Het vaalrood ("rødblakk" in het Noors) is licht roodgeelachtig en kan ook in lichtere en donkerder schakeringen voorkomen. In sommige gevallen is het moeilijk het onderscheid te maken tussen het vaalbruin en het vaalrood.

De donkerder haren in het midden van de manen, de maantop en de staart alsook de aalstreep zijn bij het vaalrood steeds rood of roodbruinachtig, donkerder dan de lichaamskleur maar nooit zwart. De manen en de staart zijn meestal heel licht of geelachtig. Bij de lichtere vaalrood paarden kunnen de maantop, de manen en de staart volledig wit zijn. De vaalrode veulens kunnen lichtgekleurde hoeven hebben maar deze kunnen verdonkeren tijdens het opgroeien.

 

De grijze of vaalblauwe paarden (grablakk in het Noors) hebben een lichaamskleur die kan variëren van licht zilvergrijs tot donker leikleurig grijs.

De donkere streep in de manen, de aalstreep en de donkerder haren in het midden van de staart zijn zwart of donkerder dan de lichaamskleur.

De voorlok en de streek rond de neus is donkerder dan bij de vaalbruine en vaalrode paarden die meestal licht zijn in voorlok en neusstreek. Bij de donkergrijze paarden kunnen de manen en staart heel donker zijn. Als men in de benaming van de kleuren dezelfde regel had gevolgd als voor het andere, zou het grijs "verdund zwart" genoemd worden, maar deze term werd nooit gebruikt.

 

Het verdunde vaalbruin ("ulsblakk" in het Noors) is een variëteit van het vaalbruin, veroorzaakt door een verblekingsfactor die de productie van haarkleur vermindert.

De lichaamskleur is bijna wit of geelachtig-wit. De donkere streep in het midden van de manen, de aalstreep en de donkere haren in het midden van de staart zijn zwart. Manen en staart hebben een lichtere kleurschijn dan de lichaamskleur.

 

Het verdunde vaalrood ("gulblakk" in het Noors) is de zeldzaamste kleur bij het Fjordenpaard. Het is een variëteit van het vaalrood veroorzaakt door dezelfde verblekingsfactor als bij het ulsblakk. De lichaamskleur is geelachtig-wit. De donkere haarstreep in het midden van de manen, de aalstreep en de donkere haren in het midden van de staart zijn geelachtig maar donkerder dan de lichaamskleur. De maantop, de manen en de staart kunnen volledig wit zijn en bij dergelijke paarden kan de aalstreep niet te onderscheiden zijn.

 

De verdunningsfactor

Grijze paarden kunnen ook de verblekingsfactor bezitten zoals beschreven onder ulsblakk en gulblakk maar omdat ze dezelfde schijn hebben als de lichtgrijze paarden zonder deze verdunningsfactor, kreeg deze "kleur" geen specifieke naam.

Het onderling paren met paarden die de verdunningsfactor hebben, resulteert in 25 % wit en veulens met blauwe ogen. Omdat deze kleur niet erkend wordt bij het Fjordenpaard, wordt aangeraden niet onder elkaar te fokken met ulsblakk, gulblakk en grijze fjorden met de verdunningsfactor. (Als de moeder of vader van een grijze fjord ulsblakk of gulblakk is, is er 50 % kans dat hijzelf de verdunningsfactor bezit.

Als een grijze fjord uit een paring met een vaalbruine of vaalrode fjord ulsblakk of gulblakk nakomelingen heeft, is het zeker dat hij de verdunningsfactor bezit.

Als een grijze fjord met een andere grijze fjord paart en de nakomeling is gulblakk, bestaat er ook een groot risico dat hij de verdunningsfactor bezit.)

 

De verspreiding van de kleuren

Zoals vermeld in het hoofdstuk "Geschiedenis van de Noorse Fokkerij", was in vroegere tijden het "ulsblakk" erg populair en zelfs gedurende enige tijd de dominerende kleur. Vandaar dat ulsblakk fjorden onderling fokten met als resultaat witte veulens.

Daarom werd het vaalbruin meer en meer aangemoedigd, vooral de lichtere vormen, en is dit nu de dominerende kleur geworden. De verspreiding van de kleur kan natuurlijk ook teweeg gebracht zijn door het feit dat de meest geliefde en gebruikte hengsten vaalbruin waren. Maar omgekeerd kan ook en misschien waren deze hengsten populair omwille van hun vaalbruine kleur. Het uitwisselen van opinies en modeverschijnselen hebben ook grote invloed. Momenteel heeft men interesse om de vijf originele kleuren te behouden.

 

Het bepalen van een kleur

Soms is het moeilijk te beslissen welke kleur een veulen heeft, zeker vóór de eerste haarwissel. Het beste hulpmiddel is te kijken naar de kleur van de donkere haren in het midden van de manen, de aalstreep en de donkere haren in het midden van de staart.

In sommige gevallen kunnen ook volwassen fjorden een onbepaalde kleur hebben omdat de kleurenschijn verschillend kan zijn naargelang het seizoen of kan veranderen bij de haarwisseling. Hun zomervacht kan grijs of ulsblakk schijnen maar hun wintervacht kan vaalbruin lijken.

 

Primitieve aftekeningen

 

De primitieve aftekeningen van het Fjordenpaard zijn belangrijk bij de beschrijving en de identificatie. Het zijn de donkere haren in het midden van de voorlok, de manen en de staart; de aalstreep en de zebrastrepen - donkere horizontale strepen op de benen, vooral op de voorbenen. Sommige paarden kunnen ook één of meerdere donkere strepen hebben op de schouder maar deze aftekening is zeldzaam. Sommigen kunnen bruine vlekjes hebben op het lichaam, bijvoorbeeld op het bovenbeen of de kaak. Deze vlekjes worden: "Njäls-merke" genoemd (het kenmerk van Njäl), naar de voorvader van het moderne Fjordenpaard, de hengst Njäl 166, geboren in 1891, die dergelijke vlekjes had op zijn kaken.


De kleur van de aftekeningen verschilt naargelang de hoofdkleur van het lichaam. Bij vaalrode en vaalgele paarden met éénkleurige voorlok, manen en staart, kan de aalstreep onzichtbaar zijn en deze paarden hebben mogelijk helemaal geen zebrastrepen. Bij heel lichte vormen van het vaalbruin, kunnen de zebrastrepen heel zwak afgetekend zijn of ontbreken.

 

De zebrastrepen hebben dezelfde kleur als de donkere haren in het midden van de manen en andere aftekeningen maar vaak in een lichtere vorm.

Ze zijn het best zichtbaar als het paard zijn zomervacht heeft.

De zebrastrepen ontbreken bij de geboorte maar ze zullen zichtbaar worden na de eerste haarwisseling van de veulens. De strepen komen het meest voor op de voorbenen. In sommige gevallen ontbreken de zebrastrepen bij de grijze en de ulsblakk fjorden. Bij deze fjorden kunnen de benen dezelfde kleur hebben als de rest van het lichaam of ze kunnen donkerder zijn tot en met de knie en tot aan het spronggewricht.

 

Bron: "Het Internationaal Handboek" van Fjord Horse International

 

 

  

 

voeding

Het Fjordenpaard is een gemakkelijk en sober dier.
Bij normale weidegang is het bijvoederen veelal overbodig, mits er geen zware eisen aan het paard worden gesteld. Tijdens het voorjaarsgras in de maanden april, mei en juni, is een kleine wis hooi als bijvoer een uitstekend middel om het hoge eiwitgehalte van het gras wat te compenseren ter voorkoming van koliek en hoefbevangenheid. Verder in de tijd is dat hooi niet meer nodig, want dan zakt het eiwitgehalte van het gras weer. Het Fjordenpaard moet dan wat het weiden betreft op rantsoen worden gesteld.
Indien het land voldoende droog is, dan is opstallen 's winters niet nodig. Wordt het paard toch opgestald, dan moet er uiteraard ook worden gevoerd. Veranderingen in het rantsoen moeten altijd zeer geleidelijk gebeuren, correctheid (zelfde tijdstippen voeren, hetzelfde rantsoen) in het voeren en drinken is vaak belangrijker dan men denkt. Bij paarden, die transpireren na het werk, moet het drinkwater in kleine hoeveelheden worden gegeven; grote dorst mag dan niet ineens worden gelest.
Op rustdagen geeft men aan paarden, die regelmatig arbeid moeten verrichten, slechts het halve rantsoen krachtvoer, ter voorkoming van zogenaamde maandagziekte.

EENVOUDIG VOEDERSCHEMA PER PAARD PER DAG

grof hooi/stro; krachtvoer; rust (onderhoudsvoer) : 5-6 kg /1,5 kg

licht werk (1 uur per dag,of opfok) 5 kg 1/- 1,5 kg

middelzwaar werk (2 - 3 uur per dag) 4-5 kg /2 - 2,5 kg

zwaar werk (3 uur of meer per dag) 4 kg /2,5 - 3 kg

In de winter is wat bietenpulp naast het gewone rantsoen zeer aan te bevelen
Er bestaan vanzelfsprekend grote individuele verschillen in de voederbehoefte. Men dient daartoe rekening te houden met het gewicht, de conditie, het temperament, de ouderdom en eventuele drachtigheid van het paard en ook met de aard van het werk. (onder werk wordt ook verstaan het gebruik onder het zadel).Fjorden die regelmatig werk verrichten en naast hun weinige ruwvoer veel krachtvoer krijgen zijn doorgaans wat slanker van uiterlijk.

Welcome

Recent Videos

2855 views - 1 comment
2655 views - 0 comments
3649 views - 2 comments
4302 views - 4 comments